De Treinmensen

De 3e en laatste dag op de berg. Het regende weer, hard, en ik bleef na m’n ontbijt nog even in de hut wachten en lezen, hopend dat het minder wordt. Maar nee, het bleef gieten en het heldere stroompje waar ik de dag ervoor nog van gedronken had en de was in had gedaan, was veranderd in een grote bruine beek met complete waterval en bijkomend gebulder. Op een gegeven moment hoorde ik een auto aankomen en iets later kwamen 2 mannetjes aanlopen. De één gaf me alleen een verbaasde blik en de ander groette me enthousiast met een woord waarvan ik maar aannam dat het iets van goedemorgen betekent. Ik zei in ieder geval maar gewoon goedemorgen terug. Hij wees naar mijn natte kleren die aan een stok hingen te ‘drogen’ (niet dat ze droog werden ofzo, want daar was het veel te koud voor) en vroeg me iets in het Onverstaanbaars. Ik had het idee dat hij vroeg of dat m’n was was en ik antwoordde ‘ja’ op een even blije toon als dat z’n gezicht was. Hij keek nog steeds blij en was weer weg om met de andere gast iets te regelen in een of ander ondergrondse waterregelings-bunker-iets die wat verderop stond.

Ondertussen zat ik urenlang me af te vragen waar ik in vredesnaam naar toe zou gaan nu. Na wat uren te verdoen in een poging om elke plek in Europa in overweging te nemen bij het maken van een keuze, gaf ik op en besloot ik dat ik gewoon ff naar iets warms wou. In Zuid-Italië was er geen regen, dus daar zou ik maar naar toe gaan. Napoli, want daar was ik nog nooit geweest, dus waarom niet? Ik pakte m’n zooi in en vertrok door de regen, die spontaan besloot minder te worden en op te houden. Bij elke aardbeienplantje aan de kant van de weg stopte ik om er wat te eten en na een tijdje kwam ik weer aan in het dal en bij het treinstation, daar pakte ik de trein richting het Zuiden. Richting Brig, dan Milano en dan Napoli.

Toen ik op Milaan Centraal aankwam, was het 11 uur nog wat. Ik had geen treinen gepland of gereserveerd en ontdekte toen dat er nog maar 3 treinen zouden vertrekken die avond, geen daarvan verder naar het Zuiden. Ik zat dus voor die avond in Milaan. Als ik had geweten hoe het zou lopen, had ik een willekeurige van de laatste 3 treinen genomen naar een kleinere stad of dorp, maar dat deed ik niet. In plaats daarvan liep ik rustig door het grote station heen naar buiten, langs de tientallen gestrande reizigers en zwervers. Want hier waren er opeens overal zwervers… daklozen… mensen die op het station leefden, de Treinmensen. Buiten het station lag echter, lekker verbazingwekkend, het centrum van de stad met overal peperdure hotels en winkels. Ik liep niet ver, want ik was vooral op zoek naar een kaart van de stad met richtingen en plekken. Die was niet te vinden, en een zoektocht naar een jeugdherberg of ander goedkope verblijfsplek liep op niets uit. Tegen de tijd dat ik het opgaf waren de allerlaatste treinen al vertrokken en was ik gestrand in Milaan. Ik liep het station weer binnen en besloot dat ik daar maar een plek moest vinden om te overnachten tot om 5 uur de eerste treinen weer zouden rijden…

De sfeer op het gehele station was vrij gespannen, niet vriendelijk. Ik was niet de enige die gestrand was, er waren tientallen anderen verspreid door het grote complex en de meesten hadden al een bankje of stoel gevonden en zaten voor zich uit te staren of te slapen. Ik vond snel genoeg een rustige plek waar ik een tijd lang zat te lezen. Ik wou nog niet proberen te slapen omdat er nog regelmatig reizigers en treinpersoneel voorbij kwamen lopen. De eerste Treinman kwam aanlopen. Hij stak z’n hand uit en zei wat dingen in onverstaanbaar Engels. Eventjes vond ik het leuk omdat ik dacht dat het gewoon iemand was die een praatje wou maken, maar het bleek al snel dat het idee was dat ik hem 5 euro zou geven.

– No.

4 euros?

– No.

2 euros?

– No.

one euro? one euro please?

– No.

hmmmwwdd… one euro please?

– … No…. Go. Away.

Na hem kwam nog iemand, nog iemand die vroeg om sigaretten, nog iemand die vroeg om geld voor sigaretten en toen was het eindelijk rustig.Ik liep en keek wat rond. Het treinpersoneel en de schoonmakers waren naar huis, op willekeurige plekken lag er op de grond een treinmens half ineengedoken te slapen tegen een muur, om de hoek stond een treinman tegen een trein te pissen. “Idioot.” dacht ik. En dat was hij ook. Een idioot. Een idioot zonder huis, zonder baan, een idioot van boven de 60 in een shirt met gaten, die waarschijnlijk het enige geld dat hij op een dag bijeen bedelde verdeed aan een verslaving… En dan heb je het toch opeens te doen met zoiemand. Niet dat ik wist wat ik ermee aan moest en ik deed verder dan ook helemaal niks. Ik ging zitten en wachten en NIET diep in slaap vallen.

Ik viel in slaap. Ik werd wakker door geritsel naast me. Een klein Italiaans mannetje kijkt verschrikt om naar me. Hij draagt mijn tas over zijn schouder en was, aan z’n houding te zien, net bezig om weg te lopen daarmee. Ik sta geïrriteerd op en begin in  het Nederlands tegen hem te razen over wat een asociale plofkip hij is. Verschrikt zet hij m’n tas neer en probeert gehaast weg te lopen, als ik zie dat m’n bovenvak open is en ik hem achterna loop (nog steeds razend in het Nederlands) om hem met gebaren te gebieden z’n zakken te legen en hem te fouilleren. De plofkip had niks gestolen. Ik liet hem gaan en hij maakte zich uit de voeten. De rest van de nacht sliep ik niet.

Welkom in Milano

Standard

Estel Telquiva

Wakker. Voor de zoveelste keer die nacht, maar dit keer begon het licht te schijnen door het tentzeil. Genoeg hebbende van de nacht en het constante naar beneden schuiven, stond ik op en keek met slaperige ogen naar buiten. Daar sta je dan, in de wolken, op een schuine helling, met om je heen een paar rotsen en kleine boom-struiken en iets verder een diepte gevuld met een gigantische zee van mist. Het had flink gegoten die nacht en de velden en bossen waren doorweekt. Ik was niet uitgerust, mijn hoofd niet, noch mijn benen, maar me wel bewust dat ik weer naar beneden zou moeten. Tijdens het eten van wat brood en het inpakken van de spullen, lost de witte zee langzaam op, flarden die rekken en scheuren als een gigantische suikerspin die uit elkaar wordt getrokken door ontelbare handen. Tegen de tijd dat ik vertrekken wil, is het dal weer zichtbaar en drijven de laatste wolken links en rechts van me tegen bergwand op weg.

Vertrekken… Afdalen… Ik bedacht me de dag ervoor nog dat de afdaling een probleem zou worden als het zou gaan regenen, maar toen leek dat nog zeer onwaarschijnlijk. Nu was de steile helling doorweekt, de grond tot glibberige modder geworden en de rotsen glad als ijs. Daarnaast waren mijn benen er die nacht niet op vooruit gegaan, ze voelden niet meer aan als stokjes pudding, maar meer als verbrande stokjes pudding. Er was alleen natuurlijk geen andere optie, dus de afdaling begon. Na meer dan een uur verschrikkelijk langzaam door het natte gras omgekeerd afdalen, waarbij ik wederom allebei de handen nodig had, kwam ik aan op het pad, waar ik er de dag ervoor eraf was gegaan. Enigszins bemoedigd begon ik te lopen richting het meest nabij gelegen dorp, zo snel als ik kon zonder door mijn benen heen te zakken. De andere kant van de berg was af en toe zichtbaar aan deze zijde, met een diepe schuine kloof die elk gevoel voor boven en beneden wegneemt tot je uit alle macht probeert een rechte horizon te vinden. Iets verderop liepen een man en een vrouw, die even later één voor één van de berg afsprongen

met een parachute. Ik had de hele dag nog geen mens gesproken toen ik een ouder Zwitsers echtpaar tegenkwam die op weg waren naar boven. Met een hoop moeite, gebaren en mixen van Duits en Engels, wisselden we wat informatie uit die we alledrie allang wisten. Lastig, raar, ongemakkelijk en heel fijn, want dat waren de enige woorden die ik die dag tegen een mens sprak, alle andere waren gericht aan stenen, vogels en denkbeeldige monsters. Na nog meer uren lopen, begonnen mijn benen het echt te begeven en vroeg ik me werkelijk af  waar ik kon stoppen aangezien ik het dorp niet meer zou halen die dag. Toen, met alle geluk, was daar De Hut. De hut die ik zal noemen: “Estel Telquiva”, Hoop der Benen, niet omdat het logisch is om een willekeurige hut zo’n lange naam te geven, maar meer omdat ik teveel J.R.R. Tolkien heb gelezen in de afgelopen dagen. Estel Telquiva is een oude, vieze, verrotte houten hut. Binnenin staan 3 houten bankjes, overal hangen spinnenwebben en liggen lege slakkenhuizen. In de hoek staan 2 stenen waartussen een klein vuur ontstoken kan worden en aan de zwartgeblakerde balken te zien hebben veel gasten zich niet bekommert om het bijvoeglijk naamwoord ‘klein’. Het zwarte roet reikt tot aan het golfplaten dak en de vloer is van as, stof en gruis. Elke balk in de hut was volledig volgekrast met namen en data, de jaartallen beginnende zo vroeg als 1971, en het geheel stonk naar rook. Desondanks was Estel Telquiva op dat moment de hemel. Niet letterlijk de hemel, dat zou zeer teleurstellend zijn, maar zoals wel meer dingen soms de hemel zijn. Alleen nu was de hemel geen kop koffie in de ochtend, maar vieze oude hut. Dat zeggende, een kop koffie was ook de hemel geweest. Ik legde mijn spullen neer, deed de was in een nabijgelegen beek, at warm en sliep tevreden en goed.

Een scherp contrast met de nacht daarop

Standard

Talta Utumnoya

Eindelijk weer woord. Zoals eerder vermeld heb ik geen idee wanneer ik internet heb en ben ik compleet afhankelijk van openbaar wifi omdat ik geen slimme telefoon heb. In tegenstelling tot wat ik dacht heeft nog geen van de buitenlandse treinen of stations wifi en berichtgeving zal dus nog wat onregelmatiger zijn voorheen gedacht.

Maandag, ik koop proviand, een wandelkaart van de omgeving en loop Interlaken uit richting het Zuiden. De lucht is felblauw en het is flink heet. Een kilometer verderop in het dal is de  ‘stad’ al echt opgehouden en is de vlakte bezaaid met huizen gemaakt van dikke houten balken, ieder met z’n eigen voortuin vol bloemen en aangrenzende moestuin. Net een kruising tussen Hobbits en Dwergen die Zwitsers. Lopend door zo’n dal vraag ik me in ieder geval werkelijk af hoe ze het voor mekaar krijgen om dorpen te bouwen waar het lijkt alsof er geen armoede bestaat en alles in een staat van perfecte vrede en harmonie verkeert.
Ik stop aan de voet van de eerste berg en bestudeer de kaart in de schaduw van een boom, naast een fontein, terwijl achter me iemand langzaam op een paard voorbij rijdt en pauzeert om een gesprek te voeren, in het onverstaanbare Zwitsers dat klinkt als een soort dronken Zweeds, met een vrouw die bloemen aan het verzorgen was in de voortuin. In het Zuiden ligt de Jungfrau, een berg van meer dan 4000 meter, met daarvoor wat voorgebergte van 2000-achtige meters. Op ieder van de toppen in het voorgebergte ligt wat lijkt op een dorp, volgens de kaart. Later die dag, na een dag te hebben gewandeld, kwam ik er pas achter dat de in grote letters dikgedrukte namen van stonden voor ‘afgelegen hotel/restaurants’ en geen dorpen of gehuchten. Afgelegen betekent in dit geval kennelijk dat ze niet eens vers water hebben, waarnaar ik bij één vroeg, en het is een raadsel hoe zo’n ‘hotel/restaurant’ zijn gasten in leven houdt zonder. De reden dat ze in grote dikke letters op de kaart stonden zal zijn omdat de houten bouwsels het enige mensenwerk op de toppen zijn en 10 mensen in de bergen kennelijk genoeg zijn om als ‘dorp’ beschouwd te worden.

Nu was de eerste top waar ik van plan was die dag naartoe te lopen zo’n 2100 meter hoog, een peulenschil zonder bepakking maar, zo bleek, een rotklus met. Of iets specifieker, een rotklus als je niet geoefend hebt, 17 kilo meedraagt en het pad ophoudt en je dus maar besluit de 45 graden steile helling recht op te lopen. Want dat is wat ik in m’n bijna suïcidale zelfverzekerdheid deed. Suïcidaal omdat het een geluk was dat ik op 2000 meter een modderige stroompje water tegenkwam waarvan ik kon drinken met behulp van mijn 0,2 micron-membraan-waterfilter. Zonder het stroompje, of het filter was ik nogal uitgedroogd geweest nadat de anderhalf liter die ik mee had op was, en dat had me grote problemen gebracht, want het was erg heet die dag. Waar ik geen dus gelukkig geen problemen had met mijn watervoorraad, had ik wel wat problemen met mijn eigen benen. Ik weeg slechts 68 kilo, maar een bepakking van 17 kilo maakt een wandeling kennelijk niet 17/68=25% zwaarder, maar meer 50% zwaarder ofzo. Daar kwam ik aan het begin van de wandeling al achter door het gevoel van spiervezels in mijn bovenbenen die besloten te staken en meer koffie en vakantiedagen eisten. Dat ergerde me en ik besloot het compleet te negeren met het argument dat ik nog steeds minder gewicht mee hoefde te slepen dan mijn vader, die ook geen problemen heeft met een top van 2100 meter. Het negeren van de staking werkte redelijk en, rustig Hardrock nummers neuriënde, liep ik verder. Tijdens het lopen kon ik genieten van het uitzicht over het dal, toen er opeens vanachter de bomen een man in een slaapzak voorbij kwam vliegen op 100 meter afstand

met een parachute. Ik keek toe hoe hij weer verdween en liep verder. Om 3 a 4 uur ‘s middags bereikte ik een punt waar het pad niet meer naar boven leidde, alleen nog maar naar beneden of terug. Maar ik wou per se naar de top en daar gaan slapen. Dus ik liep omhoog, recht omhoog…
Er is een reden waarom paden in de bergen als een malle slingeren en zigzaggen. En die reden negeerde ik nu door een steile helling op te lopen. Wat ik ook negeerde waren mijn benen die nu echt begonnen te rebelleren en met mini-molotov-cocktails begon te gooien. Ik negeerde ze met het idee dat ik op pure wilskracht ook de top kon bereiken. Op een gegeven moment moest ik mijn trouwe stok Henk de Stok achterlaten omdat ik beide handen nodig had om mezelf omhoog te trekken aan de rotsen en graspollen. In de brandende zon vorderde ik langzaam totdat ik liep op stokjes pudding en de top had bereikt voor zover dat kon. Het laatste gedeelte van de top bestond namelijk uit verticale rotswanden. Een gems keek me verbaasd aan en vluchtte naar de andere kant van de berg. Ik zette mijn tent op. De vliegen waren op de hoogte gebracht van mijn aanwezigheid en bereidden een aanval voor. Ik bewaterde een struik en legde mijn matje in mijn tent… en mijn matje gleed naar beneden in de tent. Ik had mijn tent namelijk op het meest vlakke gedeelte van de top opgezet, waar het nog steeds met zo’n 40 graden naar beneden liep. Dat was niet zo slim en die nacht kwam ‘slapen’ neer op ‘liggen, naar beneden glijden tot je bijna door het tentzeil heen scheurt, wakker worden, omhoog kruipen, liggen en weer voor 3 minuten in slaap vallen’.

Buiten raasde de storm.

Standard

De eerste dag

Alles helemaal volgens plan. Behalve dan dat ik in Interlaken, Zwitserland zit. Niet dat het echt uitmaakt. Ik zit nu immers in een zwaarverlichte moderne jeugdherberg, met overal om me heen Koreanen, die volgens het enige meisje dat ik sprak, één groep zijn. Één vriendengroep is dat van iets van 20 mensen… Wauw. Probeer dat maar eens met Nederlanders voor elkaar te krijgen: met z’n 20-en naar de andere kant van de wereld terwijl iedereen z’n eigen drukke agenda heeft. Het is nu 11 uur en ik ben officieel klaar met reizen vandaag. Ik ben naar Frankfurt gekomen zonder gecontroleerd te worden, en als ik een beetje brutaal was geweest had ik de 3e conducteur ook wijs kunnen maken dat ik al gecontroleerd was en was ik in Interlaken aangekomen zonder ook maar één keer gecontroleerd te worden op of m’n plokpas niet gewoon een vermomde bioscooppas is. Hoe dan? Nou Duitse conducteurs zijn zo beleefd dat ze je eerst netjes vragen of je al gecontroleerd bent en als je ja antwoord of ‘doet alsof’ je een verdwaalde Nederlander bent die geen woord Duits spreekt, dan lopen ze weer verder. Niet dat dat je beter doet voelen. Sterker nog, ik zat het grootste gedeelte van m’n dag in afwachting tot ik eindelijk bevestiging zou krijgen dat die plokpas ook daadwerkelijk ‘werkt’ en ik van de conducteur een knikje zou krijgen omdat ik de vakjes goed had ingevuld. Dat gebeurde pas toen ik praktisch in Zwitserland was. En vanuit de verte, over de velden, kwamen de bergen aan, terwijl de schemering inzette en het beeld door het raam af en toen onderbroken werd door tunnels en muren. Ik las een boek en de trein denderde vrij langzaam verder tot naast de man met de groene plastic zak en de Koreanen, scherpe rotswanden en meren verschenen en het landschap aan elke kant vulden. Donker was de lucht, evenzo het water, aan de overkant nog contouren van bergen en vage vlekken waar dorpen slapen. Het land is al in rust, de hele stad is stil op het treinstation en de zwaarverlichte Koreanenberg waar ik slapen ga na.

Morgen begin ik denk ik m’n tocht. In het geheim hoop ik nog steeds dat ik een wolf tegenkom (bij gebrek aan Orks) om mee te vechten en dat ik spontaan een leuk Nederlands meisje ontmoet, midden in Zwitserland. Of nog beter: dat ik moet vechten in de bergen tegen een groep Ork-wolven die een leuk Nederlands meisje hebben gevangen genomen.

Waarschijnlijk moet ik vechten tegen mijn hooikoorts

Standard

Gepakt

Ik heb gepakt. Dat wil zeggen: ik heb een deel van mijn spullen uitgekozen (na zorgvuldig de voor- en nadelen van het gewicht, volume en nut af te wegen), opgepakt en willekeurig uitgestrooid over het bed waarop ik zo direct nog moet gaan slapen. Dat moet nog veranderen. Slapen met een zakmes in je been en een reep chocolade gesmolten onder je hoofd is niet handig en bevordert de nachtrust niet, hoewel ik dat niet uit ervaring spreek. Het is meer een aanname, net als dat ik aanneem dat de eerste trein die ik morgen om half 1 pak, niet compleet vol zit en mij direct wachtende achterlaat. Ik kan ernaast zitten. Misschien is het heel fijn om, met je rechteroor door de melkchocolade rollende, te slapen, en misschien is de eerste trein in Emmerich stampvol alsof het eigenlijk geen Duitse stad is maar een Japanse metropool waar er professionele treinreiziger-duwers staan bij elk perron om iedereen aan te duwen en tegen plokkers te zeggen dat ze op moeten sauten… souten… sjouten… zoiets. in het japans.

 

Maar dat wordt dus mijn eerste perron: Emmerich. Dan richting Freiburg waar ik de nacht door zal brengen, en dan naar een klein dorpachtig iets in Zwitserland genaamd Kandersteg. Volgens Google Maps loopt er geen enkel pad over de meer dan 4000 meter hoge toppen die Kandersteg scheiden van Göschenen, een kleine 70 km verderop, maar ik meen dat dat onzin is, dus mijn plan is om in Kandersteg proviand te kopen en de reis rustig te beginnen met een 3-daagse tocht door het gebergte, om in Göschenen weer een trein te pakken naar…

Nope. Dat was het. Verder heb ik het niet echt uitgedacht. En ik realiseer me dat ik dat ook niet hoef, want des te meer ik opzoek over beroemde historische steden in Italië en Griekenland, des te meer ik me besef dat ik niet elke grote of beroemde stad in Europa hoef langs te gaan in een poging om ‘100%’  uit de Plokpas te halen. Gelukkig niet. Ik heb vandaag dan ook definitief besloten dat ik helemaal geen zin heb om mijn hele reis uit te plannen, zelfs al had ik er de tijd voor, zelfs niet in grove lijnen. Ik spreek helemaal geen Duits, of Italiaans, of Zweeds, heb ik doorgaans grote moeite met voorbijgangers de weg vragen, zelfs in Nederland, en heb ik geen enkele trein gereserveerd dus kan ik zo maar dagenlang vastzitten met mijn Plokpas als alles vol zit. Al met al is zal deze reis waarschijnlijk lijken op m’n gedachtes, in dat ze beide gekenmerkt worden door een immer aanwezige Chaos.

 

Houden zo

Standard

Schrijven

Reisverslagen schrijven aan een groep mensen. Volgens mij is dat één van de eerste dingen waarmee ik anderhalf jaar geleden ook ben begonnen te typen. Laat me het nogmaals gebruiken voor een begin.

Schrijven is communiceren en een manier om informatie op te slaan. Maar voor mij is het vooral expressie, uitdrukking, het spelen met woorden en zinnen waarbij ze af en toe kapot gaan en je een nieuwe moet maken. Dit is een blog, een reisverslag, maar ook een spel. Gelijk de spelletjes die ik, toen ik nog kleiner was dan ik nu ben, buiten speelde met vrienden, heeft dit spel een soort verhaal in zich om het een lijn te geven waaraan alles opgehangen wordt. Alleen de lijn is nu niet “wij zijn dinosauriërs en jij bent een jager met een knuppel en nu gaan we allemaal rondrennen”, maar “een reis door Europa”. Toen ik vanuit Indonesië schreef, hoorde ik van mensen dat ze het leuk vonden om te lezen hoe het ging. Anderen zeiden dat ze van de verhalen genoten en moesten lachen. Het tweede motiveert mij het meest om te schrijven en ik hoop ten zeerste dat de komende verslagen niet alleen gelezen zullen worden omdat mensen willen weten of ik nog leef, want dat doe ik, maar dat ze zullen lezen en genieten. Mijn eerste prioriteit bij het schrijven van deze dingen blijft dan ook hetzelfde: het spel, het rondrennen als een kip zonder kop tot je met je gezicht voorover in de modder valt.

 

Nu, de vaste lijn:

Afgelopen weekend ging ik met mijn vader naar de grens tussen Duitsland en België, waar we een paar dagen gingen wandelen. Mijn vader had als reden hiervoor, dat hij ‘zijn hoofd leeg wou maken’. We waren aangekomen en zaten een klein half uur in de auto te wachten tot de camping waar we zouden verblijven open zou gaan, toen mijn vader sprak en de betekenis van die woorden vrij duidelijk werd: “Nou, we zoeken de rust en stilte… maar dit is gewoon…”

Saai. Het woord ontbrak in de lucht, maar was er. Niet verrassend. Pluk een willekeurig persoon van de straat en stop diegene in een lege kamer met niets te doen. Na een paar uur is bij de meeste mensen het hoofd aardig leeg en het woord dat hier doorgaans aan verbonden wordt is ‘saai’. Het laat je met de vraag achter wat mensen toch zo geweldig vinden aan ‘je hoofd leegmaken’. Toch was de rest van het weekend, dat toch grotendeels alleen maar gevuld werd met wandelen door bossen en velden, niet saai. Maar goed ook, want dat is wat ik vanaf zaterdag gedurende een maand veelal ga doen, in m’n eentje. Ik heb, na wikken en wegen, besloten wederom in m’n eentje op reis te gaan, dit keer echter ook zonder de garantie dat de plek waar ik aankom gevuld zal zijn met aardige mensen die  je eten geven en in het onverstaanbarisch tegen je praten. Komende zaterdag ga ik interrailen. Voor de onwetenden, als je gaat interrailen koop je een stukje papier waarmee je door 30 landen in Europa gratis kunt reizen met de trein. Naast het kopen van een stukje papier, is het vereist dat je minstens één trein instapt neem ik aan. Daarna heb je officieel geïnterraild. Ik vind interrailen ongeveer even irritant klinken als Living Waters Village dus ik noem het vanaf nu ‘plokken’. Ik ga plokken met een Plokpas.

Ik heb alleen nog maar een vaag idee waar ik in 30 dagen allemaal naartoe wil, maar dat ga ik morgen en overmorgen bepalen. Heel Europa is open, inclusief Turkije en het hoge Noorden, dus onder de mogelijkheden zijn de barre toendra van Noorwegen, stranden aan de Middelandse Zee, de rustgevende Syrische grens, Griekenland, het immer toeristische Iran, de veel te drukke steden als Barcelona, Rome, Athene en Parijs, De Russische grens en…. Kleef.

Ik weet niet wanneer ik tijdens mijn reis beschikking heb over internet, dus de verslagen zullen hier waarschijnlijk op zeer onregelmatige wijze binnenkomen, maar vaker dan in Indonesië. Zoals voorheen zijn alle reacties welkom, vooral de reacties met kip. Of aardbeiencake. Elk verslag wordt aangekondigd met een bericht op Facebook en via de mail, voor twee keer zoveel spam. Door dit te lezen ga je akkoord met de Algemene Voorwaarden en doneer je elke maand 15 euro aan het Red de blauwe Zeepaardwalvis-fonds

Standard