De 3e en laatste dag op de berg. Het regende weer, hard, en ik bleef na m’n ontbijt nog even in de hut wachten en lezen, hopend dat het minder wordt. Maar nee, het bleef gieten en het heldere stroompje waar ik de dag ervoor nog van gedronken had en de was in had gedaan, was veranderd in een grote bruine beek met complete waterval en bijkomend gebulder. Op een gegeven moment hoorde ik een auto aankomen en iets later kwamen 2 mannetjes aanlopen. De één gaf me alleen een verbaasde blik en de ander groette me enthousiast met een woord waarvan ik maar aannam dat het iets van goedemorgen betekent. Ik zei in ieder geval maar gewoon goedemorgen terug. Hij wees naar mijn natte kleren die aan een stok hingen te ‘drogen’ (niet dat ze droog werden ofzo, want daar was het veel te koud voor) en vroeg me iets in het Onverstaanbaars. Ik had het idee dat hij vroeg of dat m’n was was en ik antwoordde ‘ja’ op een even blije toon als dat z’n gezicht was. Hij keek nog steeds blij en was weer weg om met de andere gast iets te regelen in een of ander ondergrondse waterregelings-bunker-iets die wat verderop stond.
Ondertussen zat ik urenlang me af te vragen waar ik in vredesnaam naar toe zou gaan nu. Na wat uren te verdoen in een poging om elke plek in Europa in overweging te nemen bij het maken van een keuze, gaf ik op en besloot ik dat ik gewoon ff naar iets warms wou. In Zuid-Italië was er geen regen, dus daar zou ik maar naar toe gaan. Napoli, want daar was ik nog nooit geweest, dus waarom niet? Ik pakte m’n zooi in en vertrok door de regen, die spontaan besloot minder te worden en op te houden. Bij elke aardbeienplantje aan de kant van de weg stopte ik om er wat te eten en na een tijdje kwam ik weer aan in het dal en bij het treinstation, daar pakte ik de trein richting het Zuiden. Richting Brig, dan Milano en dan Napoli.
Toen ik op Milaan Centraal aankwam, was het 11 uur nog wat. Ik had geen treinen gepland of gereserveerd en ontdekte toen dat er nog maar 3 treinen zouden vertrekken die avond, geen daarvan verder naar het Zuiden. Ik zat dus voor die avond in Milaan. Als ik had geweten hoe het zou lopen, had ik een willekeurige van de laatste 3 treinen genomen naar een kleinere stad of dorp, maar dat deed ik niet. In plaats daarvan liep ik rustig door het grote station heen naar buiten, langs de tientallen gestrande reizigers en zwervers. Want hier waren er opeens overal zwervers… daklozen… mensen die op het station leefden, de Treinmensen. Buiten het station lag echter, lekker verbazingwekkend, het centrum van de stad met overal peperdure hotels en winkels. Ik liep niet ver, want ik was vooral op zoek naar een kaart van de stad met richtingen en plekken. Die was niet te vinden, en een zoektocht naar een jeugdherberg of ander goedkope verblijfsplek liep op niets uit. Tegen de tijd dat ik het opgaf waren de allerlaatste treinen al vertrokken en was ik gestrand in Milaan. Ik liep het station weer binnen en besloot dat ik daar maar een plek moest vinden om te overnachten tot om 5 uur de eerste treinen weer zouden rijden…
De sfeer op het gehele station was vrij gespannen, niet vriendelijk. Ik was niet de enige die gestrand was, er waren tientallen anderen verspreid door het grote complex en de meesten hadden al een bankje of stoel gevonden en zaten voor zich uit te staren of te slapen. Ik vond snel genoeg een rustige plek waar ik een tijd lang zat te lezen. Ik wou nog niet proberen te slapen omdat er nog regelmatig reizigers en treinpersoneel voorbij kwamen lopen. De eerste Treinman kwam aanlopen. Hij stak z’n hand uit en zei wat dingen in onverstaanbaar Engels. Eventjes vond ik het leuk omdat ik dacht dat het gewoon iemand was die een praatje wou maken, maar het bleek al snel dat het idee was dat ik hem 5 euro zou geven.
– No.
4 euros?
– No.
2 euros?
– No.
one euro? one euro please?
– No.
hmmmwwdd… one euro please?
– … No…. Go. Away.
Na hem kwam nog iemand, nog iemand die vroeg om sigaretten, nog iemand die vroeg om geld voor sigaretten en toen was het eindelijk rustig.Ik liep en keek wat rond. Het treinpersoneel en de schoonmakers waren naar huis, op willekeurige plekken lag er op de grond een treinmens half ineengedoken te slapen tegen een muur, om de hoek stond een treinman tegen een trein te pissen. “Idioot.” dacht ik. En dat was hij ook. Een idioot. Een idioot zonder huis, zonder baan, een idioot van boven de 60 in een shirt met gaten, die waarschijnlijk het enige geld dat hij op een dag bijeen bedelde verdeed aan een verslaving… En dan heb je het toch opeens te doen met zoiemand. Niet dat ik wist wat ik ermee aan moest en ik deed verder dan ook helemaal niks. Ik ging zitten en wachten en NIET diep in slaap vallen.
Ik viel in slaap. Ik werd wakker door geritsel naast me. Een klein Italiaans mannetje kijkt verschrikt om naar me. Hij draagt mijn tas over zijn schouder en was, aan z’n houding te zien, net bezig om weg te lopen daarmee. Ik sta geïrriteerd op en begin in het Nederlands tegen hem te razen over wat een asociale plofkip hij is. Verschrikt zet hij m’n tas neer en probeert gehaast weg te lopen, als ik zie dat m’n bovenvak open is en ik hem achterna loop (nog steeds razend in het Nederlands) om hem met gebaren te gebieden z’n zakken te legen en hem te fouilleren. De plofkip had niks gestolen. Ik liet hem gaan en hij maakte zich uit de voeten. De rest van de nacht sliep ik niet.
Welkom in Milano